Ode aan de degradatietrainer

Iedere week schrijft Dion van Meel een ode aan de Kelderklasse. Aan onze onvoorwaardelijke liefde voor knollenvelden, harde ballen en bier. Van Meel staat aan de zijlijn en geeft commentaar. ’t Zit ‘m in de details. Deze week: een ode aan de degradatietrainer.

Oké. Misschien is het nog wat vroeg. Ben ik te voorbarig. Kan ’t zomaar anders lopen. De competitie is pas net begonnen en jouw ploeg kan theoretisch dus nog gewoon kampioen worden. Dit is immers voetbal. Gaat die bal er vlak voor rust in, speel je een heel andere wedstrijd. Zeg nooit nooit in de voetballerij. En zoals het briljante commentaar in de jaren ’90 al was tijdens Competitiemanager van Davilex: de bal is rond, en kan dus alle kanten op.

Tot zover de clichés, want we draaien er niet omheen: jouw team kan er he-le-maal geen kloot van. Geen kut. Geen ruk. Geen zak. Geen bout. Het is bedroevend, belabberd, bar en boos. En dat weet jij zelf ook. 

Je kunt dit seizoen wel weer iedere week na een pot thuiskomen en zogenaamd trots vertellen dat jouw team weer heeft gevochten als leeuwen, dat de uitslag net zo goed andersom had kunnen zijn, dat jouw team momenteel in de hoek zit waar de klappen vallen en dat jij iedere wedstrijd ziet dat jouw team stappen maakt, maar accepteer het nou maar: jouw team máákt geen stappen. Nooit meer. Nooit gedaan ook. Oké: het doet wat stappen opzij bij een pegel of een schouderbeukje, doet keurig een stapje naar voren en naar achteren op het ritme van de kantinemuziek en het gaat veel te vaak en veel te hard op stap, maar stappen máken? Nee. Dat doet jouw team niet. Om maar niet te spreken over die ene hoek waar de klappen zouden moeten vallen; die hoek is al jaren geleden ingericht met zitzakken, volle snackschalen, pitchers bier, sfeerverlichting, boxen en een beamer.

Nee. Het is huilen met de pet op. Hiermee moet jij het doen. Met dit stel. Dit verroeste spelersmateriaal: een stel rotte planken, een bergje kromme spijkers en wat hamers zonder steel. Een labiel team dat al seizoenenlang stabiel onderaan bungelt aan een zijden draadje dat maar niet wil breken. 

Geef nou maar toe: jij bent een degradatietrainer.

Ooit had jij een droom. Een droom om zo goed mogelijk te worden als trainer. Om spelers beter te maken en een team te formeren waar iedere tegenstander bang voor zou zijn. Een jaloersmakend team. Je bereidde je trainingen voor tot in de puntjes, belde spelers wakker en organiseerde om de week teambuildingsuitjes. Je deed er alles aan. Je zette je regels netjes op papier. Maakte afspraken met je team om niet te laat komen, minstens 1 keer te komen trainen, niet te poepen in de kleedkamer; je kent ’t wel. 

Maar ’t werkte niet. Toen niet en nu niet. Je team bleef zoals het was: lui, traag als een dikke oma in een rolstoel met een lekke band, met een motoriek van een scheve kalklijn. Als jouw spits niet te laat op het veld komt, komt –ie wel te laat bij de bal. Op trainingen ben jij al blij als je drie tegen drie kan spelen. En de keren dát er resultaat wordt geboekt, is dat in de kleedkamer-wc, omdat je verdediger net voor de wedstrijd weer eens een drol in de vorm van een hartje heeft geboetseerd die hij zó graag wil laten zien aan zijn teamgenoten dat hij expres niet doorspoelt om ‘m in de rust tentoon te stellen als museumstuk. Met de deur open.

Hoe hard je ook je best doet: jouw team verliest. Wedstrijd na wedstrijd. Jij kan bouwen en puzzelen wat je wil, zoekend naar die opluchting, die uitgang, die overwinning, maar het is jou simpelweg niet gegeven. Jij bent een degradatietrainer. Niet een trainer van een sterrenelftal, maar van een hoopje ellende bij elkaar. Daar verander je niks aan.

Toch bleef jij ooit en ben je er nu nog steeds. Jij loopt niet weg na 38 verliespartijen op rij. Die tijd dat je vocht om jouw hoofd boven water te houden in een zee van verliespartijen, is voorbij. Die hoop op een overwinning is allang verdronken. Jij, de kapitein van het schip, slaat het slechts nog gade. Zonder professionele coachjas omdat je die al jaren geleden hebt uitgetrokken, maar in je weekendkloffie, geplakt aan de zijlijn met de armen over elkaar. Je helpt de vlagger wat als ’t regent, wisselt wat spelers, wacht op het eindsignaal, slikt even, geeft de tegenstander een hand, neemt je verlies, drinkt wat pils en zegt thuis: ‘Wat hebben we toch geboft met het weer, he. Wat eten we?’ 

Dat is de degradatietrainer. Die komt thuis en is meteen al bezig met de volgende wedstrijd. Dat is alleen voor de hele groten weggelegd. 

Trainer, Sterkte dit jaar.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.