Ode aan de pegel

Foto: Bart Weerdenburg

“So. Aardige trap in z’n poten, die vent.”

Hier sprak Willem. Willem was zojuist omvergekegeld door z’n tegenstander. Niet omdat z’n tegenstander met z’n naar schatting 115 kilo over ‘m heen was gelopen, maar omdat Willem weer eens ouderwets in de weg liep en werd gevloerd door een ouderwetse pegel van een paar meter afstand in z’n maagstreek. In z’n zak, zeg maar. En dat verdiende complimenten. Ook van Willem, zij het met een ietwat iel stemmetje. Hij had ervoor kunnen kiezen om de beste man verrot te schelden of enkel diep te diep zuchten zodat die akelige zakpijn een beetje kon zakken. Maar Willem verkoos complimenten. Omdat zijn flinke tegenstander inderdaad een pijnlijk goeie pegel in z’n poten had.

Willem begreep het. Want wat is een goeie pegel prachtig. Hij begreep dat er tegenwoordig moet worden gevochten voor het voortbestaan van de pegel. Ook híj keek tv en ging naar ‘t stadion. Ook híj zag dat er steeds minder gepegeld wordt door broodvoetballers. Waarom eigenlijk? Mogen ze niet meer van de trainer? Zijn ze bang voor een gescheurde hamstring? Of zijn de wedstrijdbesprekingen tegenwoordig zo gedetailleerd dat iedereen echt al wel van tevoren weet wie de pegelnemers zullen zijn? Ik gok op dat laatste. Klote lijkt me dat als pegelpoger: dat er iedere keer zo’n speler voor je loopt als je wil pegelen. 

Alleen al dáárom is ’t zo fijn in onze kelder: hier mag en kan gewoon ongegeneerd vrij gepegeld worden. Want bij ons loopt de tegenstander wel mee, maar is –ie altijd te laat. Bij ons is er geen angst voor blessures, omdat we voor een blessure geen pegel nodig hebben; bij ons schiet ’t er al in als we van onze fiets stappen, het vuil buiten zetten of onze scheenbeschermers optrekken. Dus we pegelen. Waar we ook staan. En wat er ook gecoacht wordt. We geven die bal een enorme poeier zonder nadenken. Een loeier met een streep. Een lel. Een snoei. Een knal. Want er is op het moment dat die bal voor je voeten belandt, niks mooiers dan de bal die alles en iedereen ontziet op weg naar het vijandelijk doel. 

Vliegt jouw pegel in de haak of in het dak van het doel? Ren dan weg. Trek je shirt uit. Maak koprollen. En geniet van jouw moment. Heb je minder geluk? Zorg dan verdomme dat er een gat in het net zit. Een vlek op de paal. Een bult op een kop. Want een goeie pegel moet zeer doen. Een goeie pegel snijdt door het textiel heen. Een goeie pegel laat een afdruk achter met de boodschap: “Had je maar niet in de weg moeten lopen.” En vergeet niet je gewicht erachter te gooien. Het is niet voor niks dat De Vetjanussen onder ons amateuristische voetballers altijd zo rijkelijk bedeeld zijn met een goeie poeier in hun poten; de pegel compenseert alles wat wij niet kunnen.  

Weg met lijndribbel. Blijf voor altijd knallen, Kelderklasser. Blijf lossen. Blijf die bal zelf halen. Ram, pegel en haal uit tot de kramp in je poten schiet. Tot je niet meer kunt. Ram vanaf de middenlijn, de achterlijn, de zijlijn of een ander veld. Laat die bal los en vuur af. Knijp je ogen dicht, zet je tanden op elkaar, geef die bal een lel en hoor dat net bollen. Met een beetje geluk hangt –ie in het juiste doel. 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.