Ode aan de rode lantaarndrager

Iedere week schrijft Dion van Meel een ode aan de Kelderklasse. Aan onze onvoorwaardelijke liefde voor knollenvelden, harde ballen en bier. Van Meel staat aan de zijlijn en geeft commentaar. ’T zit ‘m in de details. Deze week: een ode aan de rode lantaarndrager.

De weg is nog lang! Het kan nog! We zijn nog niet uitgespeeld! het eindsignaal heeft nog niet geklonken! Hij kan zomaar een keer goedvallen! De bal is rond! Ja ja ja, ik snap het. Maar man man man, wat zijn jullie slecht. Als een bevroren knollenveld. Als de humor van jullie vlagger. De knieën van jullie mid mid. Als Ludo van GTST. Het oogt houterig als Pinokio, traag als de tijd die jullie keeper nodig heeft om naar de grond te gaan en lelijk als de schoenen van jullie spits.

Terwijl de koploper gesmeerd loopt als een ultramoderne machine en scoort aan de lopende band, functioneert jullie team als een tuffende stoomtrein met lekke wielen. Die rode lantaarn van jullie is als een wisselbokaal die al jaren stof staat te happen in een kantineprijzenkast waarvan het sleuteltje kwijt is. Maar jullie staan er. Waarvoor chapeau. 

Want wat moeten jullie het zwaar hebben. Elke week weer gaan jullie met de billen bloot, worden jullie geklopt, gevloerd, verslagen en vernederd en tóch blijven jullie komen. Dan moeten jullie ’t spelletje wel potdomme leuk vinden. Ik weet het, het is makkelijk praten vanaf hier. Wij zien alleen de voorkant. Een toneel met elf man, week in week uit scheldend, schoffelend en blunderend. Een toneel gevuld met irritatie en teleurstelling. Maar in de coulissen van jullie team worden er vast belangrijke wedstrijden gewonnen. De wekelijkse wedstrijd om elf man op de been te krijgen bijvoorbeeld. Of om de boetepot te spekken en om trainingen met genoeg man voor een partijtje te regelen, om maar niet te spreken over die o zo belangrijke wedstrijd om in de derde helft zo snel mogelijk zo veel mogelijk kantinebier achterover te slaan om het verlies enigszins dragelijk te maken. 

Alleen al dáárom gun ik jullie drie punten. Omdat jullie tijd vrij maken om in de pan gehakt te worden en daarna te doen alsof er niks aan de hand is. Maar punten worden niet gegeven, punten moeten gewonnen worden. En dat is jullie niet gegund. Jullie zijn gekelderd naar de kelder van de kelderklasse. Naar een ruimte zo donker als een gesloten kantine. Een kelder zo stinkend als een klamme bilnaad in een te klein voetbalbroekje. Een krappe plek waar slechts nog dat zwak knipperende rode lantaarnlichtje brandt, het enige lichtpuntje nog in jullie verder kleurloze voetballeven. En aan dat lichtpuntje klampen jullie je vast. 

Maar onderschat die kelder niet. Dit is niet zomaar een plek; dit is de kern. De bodem. Onder de streep. Daar waar wordt geknokt voor ieder punt. Vergeet die donkerte en vochtige kou. Want in deze kelder, de plek waar je met beide benen op de grond blijft staan en moet werken voor je geld, zit onnoemelijk veel schoonheid verstopt. In de kelder liggen de lekkerste wijnen. De mooiste speciaalbieren. De rijpste kazen. Het is de plek waar je alleen maar omhoog kunt kijken met de hoop dat het volgende week alleen maar beter kan gaan. Met de hoop op een punt. Hoop op elf man. Hoop op een keeper die z’n handschoenen kan buigen zonder dat er scheuren in komen en dat de wind de bal een keer in het juiste netje legt. Hier, in deze kelder, is de hoop het grootst. De strohalm het langst. 

In deze kelder, waar wordt gevochten tegen het onvermogen, tegen het mentale knakken, tegen de gedachte dat er toch nooit meer zal worden gewonnen, waar nooit wordt opgegeven maar veel te veel wordt overgegeven, staat de hoop het mooist in bloei. 

Zolang er licht brandt, is er hoop. Dus hoop. Ooit valt –ie een keertje goed.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.