Ode aan You’ll Never Walk Alone

Iedere week schrijft Dion van Meel een ode aan de Kelderklasse. Aan onze onvoorwaardelijke liefde voor knollenvelden, harde ballen en bier. Van Meel staat aan de zijlijn en geeft commentaar. ’T zit ‘m in de details. Deze week: een ode aan You’ll Never Walk Alone.

Glasgow, 11 maart 2004. Het is de avond van de wedstrijd Celtic-Barcelona, een wedstrijd in de groepsfase van de Champions League. Celtic Park is tot aan de nok toe gevuld. Een man met microfoon kondigt midden op het veld aan dat er een minuut stilte zal plaatsvinden voor een herdenking aan de slachtoffers van een terroristische aanslag in Madrid, de ergste in Europa tot dan toe. Terwijl beide teams het veld op komen, start de muziek. Gerry and the Pacemakers komen uit de speakers. Als de eerste noten worden gespeeld, gaan groen-witte en rood-blauwe sjaals omhoog. Er wordt alleen nog maar gezongen. Met de armen omhoog en sjaals geklemd in handen.

When you walk through a storm Hold your head up high And don’t be afraid of the dark

Het is slechts één van de vele filmpjes van supporters die dit nummer in een stadion meeschreeuwen en nog vele zullen er volgen. Het is gewoon alles in You’ll Never Walk Alone: die zoetgevooisde stem van Gerry. Die lange klanken in zijn stem. Dat fijne tunetje. En dan die heerlijke opbouw: van een heerlijk meedeinnummer naar een ultiem schreeuwnummer. 

Het zorgt ervoor dat de voetballer, hoe goed of slecht ook, zin krijgt om kampioen te worden, te schreeuwen in een volle kantine en enorm veel bier te drinken. Want wil je dit nummer goed mee kunnen zingen in een kantine, moet je dronken zijn. Zo dronken dat het zweet op je bovenlip staat. Dat er al vier keer bier over je heen is gegooid en je over je broek hebt gepist omdat je stond te ouwehoeren in het toilet met twee bier in je hand, maar nu met diezelfde pishanden op de schouders van een teamgenoot leunt en het met je hoofd richting plafond uitschreeuwt van geluk.  

In de douche klinkt het mooi, onder een brug galmt het prachtig en in het stadion is dit hét nummer om saamhorigheid, liefde en vreugde te vieren. Maar geen enkel moment tipt aan dat ene moment laat op de avond in de kantine waarop barkrukken de lucht in gaan, dronken stamgasten hard tegen de grond gaan en de snackschalen tegen het plafond vliegen. Begrijp me niet verkeerd: Frans Duijts, Django Wagner en Henk Dissel klinken nergens lekkerder dan in een goedgevulde zweterige kantine, maar You’ll Never Walk Alone is en blijft voor altijd het ultieme kantinenummer. Het nummer waarbij je het bier proeft en ruikt. Het nummer dat je doet verlangen naar een kampioenschap. Of een zwaarbevochten overwinning. Naar schreeuwen met teamgenoten en tegenstanders zonder dat je eigenlijk weet welke Engelse woorden je nou precies aan het zingen bent.  

Een nummer als dé reden dat je voor altijd wil slapen met een bal onder je arm en voor altijd wil schoffelen, zuipen, zweten en douchen met je maten. You’ll Never Walk Alone als dé reden dat je op voetbal bent gegaan en er nooit meer mee wil stoppen. Stop dus niet. Stop nooit. Loop door. Loop door. Met hoop in je hart. En je zult nooit alleen lopen. Je zult nooit alleen lopen. 

Godverdomme, wat is dit mooi. Kippenvel. Tranen. Natte broek. Alles. Werd ik ooit nog maar kampioen.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.