Ode aan het kneusje

Iedere week schrijft Dion van Meel een ode aan de Kelderklasse. Aan onze onvoorwaardelijke liefde voor knollenvelden, harde ballen en bier. Van Meel staat aan de zijlijn en geeft commentaar. ’t Zit ‘m in de details. Deze week: een ode aan het kneusje.

Bert is breekbaar. Als mozaïek. Als uitgedroogde schoenen na de zomerstop. Zijn spieren zijn droger dan de elastieken van een gepensioneerde postbode. Als Bert kapt en draait, hoort men het piepen en kraken aan de andere kant van het dorp. Zou Bert op Marktplaats staan, zou er onder z’n foto te lezen zijn: Tweedehands, gebruikerssporen, opknapper, t.e.a.b. Bert is blessuregevoelig. Hij is wat je noemt de kneus van z’n team.

En toch geniet Bert. Van iedere minuut dat hij nog op het veld staat, dat hij nog kan voetballen, dat zijn stramme spieren nog een beweging naar de bal kunnen maken. Hij geniet met volle teugen. Van het verzamelen in de ochtend, de boetepot, droge kantinekoffie. Van het omkleden, slechte grappen en niet getrokken kleedkamers. Van de balsemwalm op z’n benen, het getik van noppen op weg naar het veld, het eerste balcontact en de warming-up. Want Bert weet: het kan zomaar weer afgelopen zijn. 

Als de fluit klinkt en Bert heeft het volgehouden om tijdens de rondo de bal een paar keer aan te tikken zonder schade, begint het: dan duimen we, hopen we en bidden we. Dat Bert het volhoudt. In ieder geval een kwartier. Dat hij geen misstap maakt, rustig in beweging blijft en er geen tegenstander in de buurt komt die niet weet dat Bert op knappen staat als een tijdbom. 

Áls Bert de bal dan eindelijk krijgt, houden wij onze adem in, bijten we op onze nagels en zorgen we dat onze enige wissel alvast gaat warmlopen. Daarna, als Bert iets met de bal heeft gedaan, peilen we altijd effe voorzichtig. Of het nog gaat. Maar dan trekt Bert zijn lippen samen als een influencer die een selfie maakt en knikt hij kort zonder woorden, terwijl hij een hand op en neer laat gaan waarmee hij wil zeggen: ‘Rustig, komt goed.’ Zijn we even gerustgesteld door Bert. 

Maar knipper even met je ogen, kijk even op een ander veld of denk als wissel even rustig te kunnen gaan schijten, en Bert zit in het gras. Is ’t plots in z’n hamstring geschoten omdat –ie bij een corner z’n noppen schoontikte tegen de doelpaal. Of in z’n nek door het bukken voor een bal. Zuchtend en hoofdschuddend kijkt Bert dan naar de bank, laat hij z’n wijsvingers ervaren om elkaar heen draaien en strompelt hij langzaam van het veld af richting kleedkamer, terwijl wij klappen.

Bert krijgt iedere wedstrijd die hij meedoet een publiekswissel. Omdat Bert er weer was en het weer probeerde. Omdat Bert op is, maar niet kan stoppen. Omdat Berts tank allang leeg is, maar hij altijd weer dat laatste druppeltje eruit weet te schudden. De minuten die Bert maakt zijn als de laatste druppels schenkstroop, of als restjes pindakaas onder de rand; het is niet veel, maar man, wat is het lekker.

Bert loopt niet meer als een hinde, dartelt niet meer over het veld als vroeger, heeft een grotere pens dan z’n vriendin toen ze twintig weken zwanger was, speelt al jaren walking football in ons team terwijl –ie zich daar niet voor heeft ingeschreven en zit aan elkaar met tiewraps. Maar wij zijn gek op ‘m. Want Bert knijpt zichzelf niet alleen uit voor dat passje, die zaag of dat doelpunt. Hij knijpt zich uit voor ons. Bert houdt van ons. En wij van hem. Want Bert zet iedere wedstrijd de douches alvast aan. 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.