Dolberg is nooit dolblij

Het maakt mij niet zo uit dat Ajax even in een dip zit. Dat het voor de winter de sterren van de hemel speelde en woensdag waarschijnlijk van de mat wordt gespeeld door het grote Real dat juist net úit die dip is. 

Het maakt mij niet zo uit dat het afgelopen weekend verloor van een club waarvan de jeugdopleiding kleiner is dan Ajax’ tweede keeper en dat de eerste keeper, die door iedereen notabene de hemel in wordt geprezen, met zijn hoofd in diezelfde hemel was toen –ie een aantal ballen moest passen in de voeten van zijn vriend in de verdediging Frenkie. Het maakt me ook niet zo uit dat diezelfde Frenkie mogelijk in Barcelona zal moeten gaan voetballen met zijn voornaam op zijn rug, omdat de kledingsponsor van de Catalanen denkt dat het zo meer shirts zal gaan verkopen. Ook maakt het me geen hol uit dat Nike dit waarschijnlijk alleen maar doet uit enorm eigenbelang, omdat het fonetische [ˈnaɪki] samen met ‘Frenkie’ zo lekker bekt. Daarnaast maakt het me geen ene donder uit dat spelers als Ziyech, De Jong, De ligt en Onana volgend jaar wellicht niet meer te bewonderen zijn in onze Eredivisie als ze per ongeluk toch de sterren van de hemel spelen in de komende twee Champions League-potten. Dat is nou eenmaal het voetbal van tegenwoordig.

Waar ik wél mee zit, wat me gruwelijk irriteert en waar ik me week in week uit over loop te verbazen, is veel erger: die chagrijnige, stoïcijnse en nietszeggende smoelbakkesen van al die Ajacieden. Met Kasper Dolberg voorop. Googel dat Deense ventje en de eerste twintig zoekresultaten zijn identieke afbeeldingen van een blonde bos haar met een touwtje eraan, als een goedkoop Valentijnboeketje. Daaronder zit een gezicht dat uit staat. Dat vergeten is zichzelf te resetten. Al scoort die jongen nog zo mooi; Dolberg lijkt nooit dolblij. De enige keer dat ik dacht Dolberg te zien lachen, bleek –ie in z’n nakie te zijn omgedraaid en keek ik naar een verticale bilspleet. En áls -ie dan per ongeluk lacht, gaat er maar één klein mondhoekje omhoog. Het is alsof -ie te vaak z’n haren uit z’n gezicht heeft moeten schudden waardoor z’n gezicht ermee op is gehouden.

En dan Hakim Ziyech, de speler notabene met de voornaam van de vrolijkste mimespeler die Sesamstraat ooit gekend heeft. Een speler die als een salsadanser over het veld beweegt. Maar salsadansers lachen tijdens en na het dansen. Ziyech niet. Die kijkt liever als een chagrijnige baklap als –ie een werelddoelpunt of –actie maakt. Alsof de wereld hem niet kan raken. Alsof niks hem iets kan doen. Alsof meneer de koning der koningen is. En dan staat er ook nog een man langs de zijlijn bij wie het gevoel zo ver onder de Haaksbergse klei verstopt zit, dat er een schep aan te pas moet komen om een glimlach van hem op te graven. 

Niemand lacht meer bij Ajax. André niet, Daley niet, Alfred niet. Al voetbalt het nog zo mooi. Of zelfs zo lelijk dat je erom moet grinniken. Daar zit ik mee. Dat Ajax langzaam verandert in een overuren makende, geld verdienende en vervuilende fabriek met machines zonder voetbalplezier. Ik wens daarom dat Frenkie binnenkort stampvoetend, schreeuwend en huilend gaat smeken om zijn eigen achternaam op zijn FCB-shirt. Dat –ie gaat krijsen, op de grond gaat liggen en gaat schudden met zijn benen in de lucht als Arjen Robben in hoogtijdagen, alleen omdat -ie z’n zin niet krijgt. Ik wacht op een beetje gevoel. Tot die tijd kijk ik gewoon naar een stel geniale chagrijnige en snelvoeterige baklappen op een voetbalveld.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.