Van vraagvinger naar middelvinger

Basisschooljuffen en- meesters dreigden al overwerkt te raken door te grote klassen, steeds meer zorgleerlingen en extra taken buiten het lesgeven om, maar nu staan ze echt op het randje van doordraaien. De aanstichter van dit alles? De vraagvinger.

Sinds jaar en dag is op basisscholen de vraagvinger bij kinderen ‘de shit’. het is de vinger die aantoont dat je als leerling de stof de baas bent. Dat je even wil laten horen hoe goed je alles weet en dat is vet. Voor de stille leerling is de vinger een ideaal moment om even te chillen. Om even bij te komen van al die werkstress, of om je even te verstoppen achter het bos van gedreven vingers. Alleen maar voordelen van die vinger, lijkt me. Nee, vindende juffen en meesters. Zij willen niet meer dat leerlingen chillen achter dat bos. Ze willen dat ieder kind de kans krijgt om het antwoord te geven op hun vragen, niet alleen de gedreven leerlingen. Daarom moeten er andere manieren bedacht worden. Waarom, juffen en meesters? Geniet toch van die vinger!

Als docent Nederlands op een middelbare school begrijp ik heel goed dat basisschooljuffen en- meesters op het randje van instorten staan. Iedere dag dertig leerlingen aan één stuk door entertainen. Iedere dag ieder kind evenveel aandacht geven. Iedere dag ieder vak met evenveel enthousiasme aanbieden. Kleuren. Tekenen. Knutselen. Gymmen. Het is jongleren met meerdere vakken op één dag. Een kunstvorm, bijna. Ik ben soms blij dat de vijftig minuten voorbij zijn en dat ik weer een nieuwe klas voor me krijg. Als ik dan ook nog eens dertig vingers per vijf minuten in mijn ogen gestoken zou krijgen, zou ik ook soms neiging krijgen om een middelvinger te geven aan die vragende vingers.
Toch mis ik ‘m op de middelbare school, die vinger. 
Die vinger zegt namelijk meer dan ze op

de basisschool misschien denken. In die vinger zit alles wat een kind is; zijn speelsheid, zijn onwetendheid, zijn schaamteloosheid voor het beantwoorden van een vraag. Die vinger haalt het beste in het kind naar boven en laat zien dat het kind nog kind is, zonder dat het zich wat aantrekt van zijn omgeving.

Als het kind op zijn fiets stapt naar de middelbare school, wordt de vraagvinger al slapper. In de brugklas wordt –ie in het begin nog fanatiek gebruikt, maar in de tweede klas gaat het vingertje al een beetje hangen. Dan kijkt de leerling om zich heen en ziet hij dat andere leerlingen zuchten als hij zijn vinger weer omhoog doet. Dan ziet hij dat zijn beste vriend ook geen vinger omhooghoudt en beseft hij dat de vinger eigenlijk helemaal niet stoer is. Dan gaat hij zich verschuilen, net als de anderen. Langzaamaan wint bewustzijn het van schaamteloosheid en geven de leerlingen de vinger steeds vaker de middelvinger. In de derde wil de vinger nog weleens per ongeluk omhooggaan, maar in de bovenbouw is -ie een langzame dood gestorven en sta ik vaak met mijn bek vol tanden.
“Goed jongens, wie weet het antwoord? Hallo? Jij Aron, weet jij het? Aron?”
De vinger bloeit pas weer op als hij over de puberteit heen is gegroeid en weer vragen durft te stellen. Daarom, juffen en meesters, hoeft niet alles te veranderen. Houd vast aan die klassieke vraagvingers, complimenteer en beloon leerlingen als zij hun vinger opsteken met een juist antwoord. Dan volgen andere leerlingen vanzelf. Zo niet, dan niet. Kijk dan wat vaker door dat vingerbos heen, naar dat ene jongetje en geef hem de kans. Geniet van die gedrevenheid, maar geniet ook van stille genieters zoals hij. Hij weet vast evenveel als de vingeropstekers. Nogmaals: geniet! Want voor je het weet, wordt dat vingerbos gekapt door de puberteit.

 

 

 

 

 

Dit bericht is geplaatst in onderwijs. Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.