Puberbosbrand

Het is het vierde uur. Voor me werkt een klas met pubers aan haar opdrachten. Eén meisje werkt niet. Ze staart. Haar ogen zijn gericht op standje oneindig. Haar steile haren hangen naar beneden als een kletterende waterval. Haar vingers spelen wat met haar pen. Ze knippert af en toe, maar de rest van haar lichaam zit roerloos achter haar tafeltje. Ik laat haar. Als de bel gaat, vraag ik of er iets is. “Nee hoor, meneer. Ik zit vandaag gewoon niet zo lekker mijn vel.” “Is dat het enige?” probeer ik nog. “Ja.” Ik wens haar een fijne dag, waarna ze verdwijnt in de leerlingenmassa.


Leidsch Dagblad, 5-1-2017
Het leek zo simpel toen ik de lerarenopleiding ging doen. Om te begrijpen wat een puber denkt. Wat een puber bezighoudt. Ik was zélf ook puber geweest; hoe moeilijk kon het zijn? Honderden pubers verder heb ik mijn antwoord: het is niet simpel. Het is moeilijk. Verdomd moeilijk. Bijna een kunstvorm. Een kunstvorm die vraagt om aandacht, geduld en tijd. Een kunstvorm die je niet leert toe te passen op de lerarenopleiding. En een kunstvorm waarvoor nooit genoeg tijd is.
 
En zo proberen iedere dag duizenden docenten de bosbranden te blussen die woeden in de hoofden van hun puberleerlingen. Branden die aangestoken zijn door de constante vragen over wie ze zijn, wie ze proberen te zijn, waar ze bij horen en wat ze wel en niet willen en kunnen. Vaak verliezen we. Dan komen we niet tot de kern, omdat de tijd op is. Of dringen we net niet ver genoeg in het hoofd door, omdat de puberdrang naar het erbij horen groter is dan de woorden van een of andere docent. Of omdat depressieve gevoelens misschien wel te ver zijn doorgedrongen in het hoofd van de leerling. Dan sluiten we het gesprek af en zeggen we dat we ze begrijpen. En ook al begrijpen we ze soms niet, ook al hebben we er niet alles uitgehaald naar ons gevoel; we hebben geluisterd naar hun problemen. Geluisterd en ons opengesteld. Zodat het hen helpt om verder te komen in hun wereld. Een wereld waarin aan pubers getrokken wordt door ouders, leraren, vrienden en telefoons.
 
GGZ-nieuws, 26-01-2016
Onze hulp beperkt zich tot de muren van ons schoolgebouw. Maar wat wíllen we leerlingen graag verder helpen. Wat wíllen we leerlingen graag de hulp bieden die ze nodig hebben, de persoon zijn tegen wie leerlingen alles vertellen en iedere minuut van de dag klaarstaan voor ze. Maar we kunnen er niet altijd zijn. 
Iedere dag zoeken we weer naar die vage grens die ons vertelt tot waar wij er als docenten kunnen zijn voor een leerling. We delen de problemen. Met de zorgcoördinator. Met de ouders. Maar ondertussen hopen we slechts. Dat de leerling het aankan. Het volhoudt. Dat de tien miljoen euro van Edith Schippers zijn werk gaat doen of de tien miljoen puberbosbranden vanzelf weer doven of worden geblust, maar niet oplaaien. 
Meer kunnen we niet doen. Toch?

 

Dit bericht is geplaatst in onderwijs. Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.