Of nie!

Ik woonde nog geen week in Tilburg toen ik voor het eerst tegen de grenzen van mijn eigen dialect aanliep. Het was tijdens een kort gesprek met mijn eerste Tilburgse voetbaltrainer. Ik zei hem dat ik mijn nieuwe voetbalteam zo leuk vond. Hij reageerde met: “Of nie!” Een pijnlijke stilte viel, waarna ik alleen nog het woord “jawel” kon uitbrengen, niet wetende wat hij nu precies bedoelde. “Un grôote kwèèk opzètte ôk nog.” Zoiets mompelde hij terwijl hij wegliep. Het duurde lang voordat ik besefte dat “of nie!” een bevestiging was op dat wat ik net had gezegd. Een soort bevestiging zoals “ja, he?” Ik kon er maar niet aan wennen. Nog langer duurde het tot ik begreep dat het Tilburgse “Joa, zeetie” een reactie was op een sterk verhaal dat ik had verteld, daar waar ik eerst helemaal niet begreep waarom iemand dat zei; ik had helemaal geen “joa” gezegd.


Het waren mijn eerste strubbelingen met mijn eigen dialect. Geboren en getogen in Made, een dorp op een half uurtje westwaarts rijden van Tilburg, wist ik maar al te goed hoe het Brabants klonk. Voor mij bestond echter maar één dialect in Brabant: dat van mijn dorp. Ik wist dat er meerdere dialecten waren in Nederland, maar dat ik binnen Brabant óp en ónder voetbal kon zitten, dat wist ik niet.
 
Inmiddels ben ik twaalf jaar Tilburger en nog steeds word ik dagelijks geconfronteerd met mijn West-Brabantse afkomst als ik met mijn leerlingen in Tilburgs dialect probeer te praten. Ik ken de Tilburgse uitspraken inmiddels wel – voetbaltrainers zijn ideale taalstudieobjecten en tijdens carnaval kun je goed luisteren als je eigen stem al weggeschreeuwd is – maar mijn pubers fop ik nog steeds niet. Die horen meteen mijn accent. “Das gin Tilburgs, meneer!” roept de één dan. “Of nie!” roept de ander dan. Ik blijf het proberen. Maar hoe vaak ik ook struikel en weer opsta, hoe vaak ik ook luister naar ras-Tilburger Ferry van de Zaande, het Tilburgse dialect zal nooit míjn dialect zijn. Dialect is een gevoel dat je meekrijgt als kind. Een gevoel dat je, hoe hard je ook je best doet, je niet eigen kan maken. Al zou je dat willen.  
 
Brabantse vrienden van me hebben zich de harde –G aangeleerd. Vanwege hun werk in de Randstad. Volgens onderzoek voelen zij zich daar blijkbaar niet serieus genomen met hun zoetgevooisde -G. Dat probleem heb ik niet. Als Brabants docent in Brabant kan ik praten zoals ik dat heb geleerd, zonder me daar schuldig over te voelen. Héél erg anders is mijn accent trouwens niet dan dat van mijn leerlingen. En al is het anders. Ik ben graag mezelf en daar hoort mijn accent bij.

 
Ach, wie houd ik voor de gek. Ook míjn stoerheid reikt tot aan de rivieren boven me. Ook ík heb die neiging me aan te passen als ik over die rivieren ben. Die neiging om woorden te kiezen waarin die –G niet zit als ik in de Randstad ben. Die neiging om mijn strot overdreven vaak in te zetten om een geforceerde ‘geweldig’ eruit te krijgen of om zelfs voor de veilige vervanger ‘fantastisch’ te kiezen. Waarom? Omdat ik me niet anders wil voelen. Omdat ik erbij wil horen en wil dat de ander mij niet veroordeelt op mijn accent. Zwak? Absoluut. Boven de rivieren voel ik me simpelweg niet geheel mezelf.
Alleen maar vanwege die –G? Joa.
 

 

 

 

 

 

Gelukkig houd ik het altijd maar één dag vol. Dan vlucht ik zonder stem weer terug naar Brabant. Om er nooit meer weg te gaan. Want Brabants spreken is fijn. Of nie!
Dit bericht is geplaatst in taal, Tilburg. Bookmark de permalink.

2 reacties op Of nie!

  1. kees schreef:

    Wat is er mooier dan wereldburger te zijn in Brabant…..

  2. Of nie dan ! Gij van de Maij

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.